|
Ze is net vier en beschikt al over een enorme woordenschat. Ze neemt dan ook geen genoegen met onze alledaagse, volwassen uitdrukkingen. Liever voegt ze haar eigen woorden aan de Grote Van Dale toe. Zo is een badjas een natjas, is “ik ben liefde op jou” geen liefdesverklaring en toch weer wel want ze vind je dan gewoon ontzettend lief, ben je verstorven als je dood bent “en dat is als je 100 jaar bent”, is haar T-shirt een jurk en een jongen een jommen “en die zijn stom.” Haar fantasie is al even grenzeloos: een tekening verandert tien keer van betekenis, ze zingt melodieën die ik nog nooit heb gehoord en ze laat een waar levenspoor van speelgoed achter zich als ze zich moeiteloos van de Barbies in het keukenspel verliest en van daaruit gaat knutselen of op de step, als die in haar blikveld verschijnt. Ik vind het heerlijk, zo’n grenzeloos kind om me heen. Ik koester de momenten dat ze feilloos weet aan te geven wat ze voelt: “mam, ik voel overal kriebeltjes in mijn lijfje omdat straks al mijn vriendjes op mijn feest komen.” Ik geniet van de onbevangenheid waarmee ze nieuwe kindjes tegemoet treedt; in haar klas zitten geen kindjes maar allemaal vriendjes. Ik lach me suf over de puurheid waarmee ze reageert als ik vraag of de kindjes haar verjaardagstaart mooi vonden: “nee ze vonden ‘m lekker.” Nu ze naar de basisschool gaat zal ze haar eindeloos vermogen om in al haar puurheid buiten het gewone te denken stukje bij beetje inleveren. Heel geleidelijk zal ze de ‘juiste’ woorden of uitdrukkingen gaan gebruiken. Langzaam aan zal ze ontdekken dat de wereld niet zo grenzeloos is als zij hem ziet: hoe groter, hoe meer grenzen zelfs. En later, als ze dan eindelijk volwassen is, zal ze zich op enig moment met verbazing afvragen waar toch die onbevangenheid is gebleven, die ze als kind bezat. ‘Tja kind,” zal ik dan zeggen. “Zo grenzeloos als een kind kan zijn, dat kan alleen binnen de beschutte grenzen van het jonge gezin.” |