Ieder jaar, net als Sint is vertrokken, slaat de wereldwijde gekte toe. Kerstbomen worden met of zonder kluit uit hun natuurlijke omgeving gehaald en het huis in gesleept. Hier krijgen ze in de trend van het jaar hun feestversiering aangemeten. Wordt het zilver/wit/zwart? Roze/paars/goud? Gaan we voor verse bloemen of toch meer in de verensfeer? Je kunt het zo gek niet bedenken of het wordt gekocht en in de boom gestopt. Jarenlang heb ik mij aan deze gekte kunnen ontrekken. Ik kón het gewoon niet, een boom in mijn huiskamer zetten. Ik moest al lachen bij de gedachte. En nu staat er dit jaar toch een. Een echte nog wel. Het ‘merk’ (want je hebt vele varianten tegenwoordig, die iedereen ook nog eens bij soort kent) weet ik niet. Wel dat ’t een kleintje is. Met kluit. Kan ‘ie bij de buren in de tuin, want die verzamelen die dingen volgens mij. Uit alle hoeken en gaten heb ik kerstversiering uit lang vervlogen tijden opgediept. Met pijn in mijn hart en hoofdschuddend heb ik deze zilveren ballen, groot en klein, een trompetje, hartjes, nepcadeautjes en zelfs heuse slingers erin gehangen. Na afloop heb ik hoofdschuddend het resultaat bekeken. Vreselijk. De kinderen kwamen met stralende gezichtjes kijken: Prachtig mama! En dus mag ‘ie toch blijven staan. Twee weken. Dan is het oud op nieuw; een legitiem moment om hem te verwijderen. Ondertussen hebben de kinderen al een oplossing voor dat angstaanjagend lege moment gevonden, thuis als ze zijn in de beleveniseconomie die hen aan alle kanten wordt opgedrongen. “Mam, hier zijn alvast de tasjes voor het eieren zoeken, je weet wel, van chocola, want na Kerstmis dan is het Pasen!”